direct naar inhoud van Artikel 7 Woondoeleinden IV
Plan: St. Annaparochie
Status: goedgekeurd
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.00630000000511

Artikel 7 Woondoeleinden IV

 

7. 1.       Bestemmingsomschrijving

7. 1. 1. De op de kaart voor woondoeleinden IV aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep;

b.    aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;

c.    tuinen en erven;

en in beperkte mate voor:

d.    woonstraten en paden;

e.    groenvoorzieningen;

f.     parkeervoorzieningen;

g.    sloten, bermen en beplanting;

met de daarbijbehorende:

h.    bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7. 2.       Bouwvoorschriften

7. 2. 1. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

a.    als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;

b.    een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;

c.    indien op de kaart in het bouwvlak een maximum aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen is aangegeven, zal het maximum aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen ten hoogste het op de kaart in het bouwvlak aangegeven maximum aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen bedragen;

d.    de afstand van een hoofdgebouw dan wel een blok van aaneengebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens zal ten minste 3,00 m bedragen;

e.    de goothoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste 4,00 m bedragen;

f.     de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 30° bedragen;

g.    de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten hoogste 60° bedragen.

7. 2. 2. Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

a.    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw zal ten hoogste 60 m² bedragen;


b.    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw zal ten hoogste 50% van de oppervlakte van het bouwperceel, voorzover gelegen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, verminderd met de oppervlakte van het hoofdgebouw, bedragen;

c.    de goothoogte van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping zal ten hoogste 3,00 m bedragen;

d.    de dakhelling van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping zal ten hoogste 60° bedragen.

7. 2. 3. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende bepaling:

-       de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

7. 3.       Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen, ten behoeve van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, waarbij met name rekening zal worden gehouden met de algemene criteria.

7. 4.       Vrijstelling van de bouwvoorschriften

Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van:

a.    het bepaalde in lid 7.2.1. sub b en toestaan dat een hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits:

-       de diepte van het hoofdgebouw ten hoogste 17,00 m zal bedragen;

b.    het bepaalde in lid 7.2.1. sub d en toestaan dat de afstand van een hoofdgebouw dan wel een blok van aaneengebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens wordt verkleind;

c.    het bepaalde in lid 7.2.1. sub e en toestaan dat de goothoogte van hoofdgebouwen wordt verhoogd tot ten hoogste 6,50 m;

d.    het bepaalde in lid 7.2.1. sub f en toestaan dat de dakhelling van een hoofdgebouw wordt verlaagd c.q. dat een hoofdgebouw (gedeeltelijk) wordt voorzien van een plat dak;

e.    het bepaalde in lid 7.2.1. sub g en 7.2.2. sub d en toestaan dat de dakhelling van gebouwen wordt verhoogd tot ten hoogste 80°;

f.     het bepaalde in lid 7.2.2. sub a en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen bij een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 100 m², mits:

-       de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aan het hoofdgebouw gebouwde overkappingen bij een hoofdgebouw ten hoogste 60 m² zal bedragen, dan wel, indien de oppervlakte van het hoofdgebouw meer dan 60 m² bedraagt, ten hoogste gelijk zal zijn aan de oppervlakte van het hoofdgebouw;

g.    het bepaalde in lid 7.2.2. sub a en b en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen wordt vergroot tot ten hoogste 150 m², mits:

1.    de oppervlakte van een bouwperceel minimaal 1.000 m² zal bedragen;

2.    de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aan het hoofdgebouw gebouwde overkappingen bij een hoofdgebouw ten hoogste 60 m² zal bedragen, dan wel, indien de oppervlakte van het hoofdgebouw meer dan 60 m² bedraagt, ten hoogste gelijk zal zijn aan de oppervlakte van het hoofdgebouw;

h.    het bepaalde in lid 7.2.2. sub b en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen wordt vergroot tot 100% van de oppervlakte van het bouwperceel, voorzover gelegen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, verminderd met de oppervlakte van het hoofdgebouw, mits:

-       de vergroting noodzakelijk is ten behoeve van de huisvesting van (een) minder valide(n).

7. 5.       Gebruiksbepaling

7. 5. 1. Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze  bestemming.

7. 5. 2. Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 7.5.1., wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van bijgebouwen voor bewoning;

b.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel en horeca;

c.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijvigheid, anders dan in de vorm van een aan-huis-verbonden beroep;

d.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep, zodanig dat de bedrijfsvloeroppervlakte:

1.    meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel;

2.    meer bedraagt dan 50 m²;

e.    het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep;

f.     het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;

g.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen.

7. 5. 3. Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van:

-       het bepaalde in lid 7.5.2. sub c juncto lid 7.5.1. en toestaan dat de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in bijlage 1, alsmede naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen activiteiten, mits:

-       de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat:

a.    de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen;

b.    dat de activiteiten niet mogen plaatsvinden binnen vrijstaande bijgebouwen.

7. 5. 4. Burgemeester en Wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 7.5.1., indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

7. 6.       Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 7.5.1. wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2° van de Wet op de economische delicten.

 

een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 7.5.1., wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van bijgebouwen voor bewoning;

b.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel en horeca;

c.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijvigheid, anders dan in de vorm van een aan-huis-verbonden beroep;

d.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep, zodanig dat de bedrijfsvloeroppervlakte:

1.    meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel;

2.    meer bedraagt dan 50 m²;

e.    het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep;

f.     het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;

g.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen.

7. 5. 3. Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van:

-       het bepaalde in lid 7.5.2. sub c juncto lid 7.5.1. en toestaan dat de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in bijlage 1, alsmede naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen activiteiten, mits:

-       de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat:

a.    de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen;

b.    dat de activiteiten niet mogen plaatsvinden binnen vrijstaande bijgebouwen.

7. 5. 4. Burgemeester en Wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 7.5.1., indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

7. 6.       Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 7.5.1. wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2° van de Wet op de economische delicten.