direct naar inhoud van Artikel 26 Groenvoorzieningen
Plan: St. Annaparochie
Status: goedgekeurd
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.00630000000511

Artikel 26 Groenvoorzieningen

 

26. 1.    Bestemmingsomschrijving

26. 1. 1. De op de kaart voor groenvoorzieningen aangewe­zen gronden zijn bestemd voor:

a.    plantsoenen, groenstroken en beplanting;

b.    speelvoorzieningen, met uitzondering van de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “geen speelvoorzieningen toegestaan”;

c.    woonstraten;

d.    paden, waarbij indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “cultuurhistorisch waardevol pad”, de instandhouding van de cultuurhistorische waarden wordt nagestreefd;

e.    sloten, bermen en beplanting;

met de daarbijbehorende:

f.     bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

26. 2.    Bouwvoorschriften

26. 2. 1. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen wor­den ge­bouwd.

26. 2. 2. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebou­wen zijnde, geldt de volgende bepaling:

-       de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

26. 3.    Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen, ten behoeve van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, waarbij met name rekening zal worden gehouden met de algemene criteria.

 

Aanlegvergunningen

26. 3. 1. Indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “cultuurhistorisch waardevol pad”, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

-       het wijzigen van het beloop of het profiel van de padenstructuur.

26. 3. 2. Het bepaalde in lid 26.3.1. is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, die:

a.    het normale onderhoud betreffen;

b.    noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond.

26. 3. 3. De in lid 26.3.1. genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het pad.

26. 4.    Gebruiksbepaling

26. 4. 1. Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze  bestemming.

26. 4. 2. Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 26.4.1., wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;

b.    de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrok­ken) voer-, vaar- of vliegtuigen;

c.    het storten van puin en afvalstoffen;

d.    het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;

e.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen.

26. 4. 3. Burgemeester en Wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 26.4.1., indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

26. 5.    Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 26.3.1. en lid 26.4.1. wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2° van de Wet op de economische delicten.

26. 6.    Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, het plan wijzigen in die zin dat: 

a.    de bestemming “Groenvoorzieningen” wordt gewijzigd in de bestemming “Woondoeleinden IV”, mits:

1.    deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast binnen het gebied dat op de kaart is voorzien van de aanduiding “geen speelvoorzieningen toegestaan”;

2.    na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid voor de betreffende gronden de bepalingen van artikel 7 van toepassing zijn;

3.    op de kaart geen bouwvlak wordt aangebracht.

4.    is aangetoond dat er geen sprake is van een zodanige bodemverontreiniging, welke een belemmering zou kunnen vormen voor de woonfunctie.

26. 7.    Wijzigingsprocedure

a.    Een ontwerpbesluit tot wijziging op grond van lid 26.6. waarbij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, ligt, met bijhorende stukken, gedurende 4 weken ter secretarie ter inzage.

b.    Burgemeester en Wethouders maken de nederlegging van te voren in één of meer dag-, nieuws of huis-aan-huisbladen, die in de gemeente worden verspreid, en voorts op de gebruikelijke wijze, bekend.

c.    De bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het indienen van zienswijzen.

d.    Gedurende de in lid 1 genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij het College van burgemeester en wethouders schriftelijk zienswijzen indienen tegen het ontwerpbesluit tot wijziging.

 

style='mso-list:Ignore'>26. 4. 3. Burgemeester en Wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 26.4.1., indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

26. 5.    Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 26.3.1. en lid 26.4.1. wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2° van de Wet op de economische delicten.

26. 6.    Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, het plan wijzigen in die zin dat: 

a.    de bestemming “Groenvoorzieningen” wordt gewijzigd in de bestemming “Woondoeleinden IV”, mits:

1.    deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast binnen het gebied dat op de kaart is voorzien van de aanduiding “geen speelvoorzieningen toegestaan”;

2.    na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid voor de betreffende gronden de bepalingen van artikel 7 van toepassing zijn;

3.    op de kaart geen bouwvlak wordt aangebracht.

4.    is aangetoond dat er geen sprake is van een zodanige bodemverontreiniging, welke een belemmering zou kunnen vormen voor de woonfunctie.

26. 7.    Wijzigingsprocedure

a.    Een ontwerpbesluit tot wijziging op grond van lid 26.6. waarbij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, ligt, met bijhorende stukken, gedurende 4 weken ter secretarie ter inzage.

b.    Burgemeester en Wethouders maken de nederlegging van te voren in één of meer dag-, nieuws of huis-aan-huisbladen, die in de gemeente worden verspreid, en voorts op de gebruikelijke wijze, bekend.

c.    De bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het indienen van zienswijzen.

d.    Gedurende de in lid 1 genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij het College van burgemeester en wethouders schriftelijk zienswijzen indienen tegen het ontwerpbesluit tot wijziging.