direct naar inhoud van Artikel 1 Begripsbepalingen
Plan: ’t War / Witzens / Keningspark
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.00700000BPFRAWAWIKE2009-

Artikel 1 Begripsbepalingen

 

In deze voorschriften wordt verstaan onder:

1.      aanbouw:

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is aangebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdge­bouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

2.      aan-huis-verbonden beroep:

een beroep, dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten, met uitzondering van prostitutie en naar de aard daarmee gelijk te stellen activiteiten;

3.      bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

4.      bebouwingspercentage:

een op de plankaart of in de voorschriften aangegeven per­centage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

5.      bedrijfsgebouw:

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

6.      bedrijfswoning/dienstwoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

7.      bestaand:

a.      ten aanzien van de bij of krachtens de Woningwet aanwe­zige bouwwerken, en de werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden:

-      bestaand ten tijde van de eerste terinzagelegging van dit plan;

b.      ten aanzien van het overige gebruik:

-      bestaand ten tijde van het van kracht worden van dit plan;

8.      bestemmingsgrens:

een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bestemmingsvlak;

9.      bestemmingsvlak:

een op de plankaart aangegeven vlak met eenzelfde bestem­ming;

10.  bijgebouw:

een opzichzelfstaand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofd­gebouw;

11.  bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

12.  bouwgrens:

een op de plankaart aangegeven lijn die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze voor­schriften toegelaten afwijkingen;

13.  bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

14.  bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

15.  bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

16.  bouwvlak:

een op de plankaart aangegeven, door een bouwgrens om­sloten vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop ge­bouwen zijn toegelaten;

17.  bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

18.  cultuurgrond:

grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden;

19.  dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;


20.  detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goede­ren aan personen die die goederen kopen voor gebruik, ver­bruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een be­roeps- of bedrijfsactiviteit;

21.  eerste bouwlaag:

de bouwlaag op de begane grond;

22.  erf:

het bouwperceel, voorzover gelegen achter de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw en verminderd met de oppervlakte van het hoofdgebouw;

23.  gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

24.  gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:

de mogelijkheden om gronden en daarop toegelaten bouw­werken overeenkomstig de daaraan toegekende bestemming te gebruiken;

25.  geluidsbelasting:

de geluidsbelasting vanwege een weg, een industrieterrein en/of een spoorweg;

26.  geluidsgevoelige functies:

in een gebouw of op een terrein aanwezige functies die maken dat een gebouw of terrein als geluidsgevoelig object wordt aangemerkt;

27.  geluidsgevoelige objecten:

gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsge­voelige gebouwen of terreinen, zoals bedoeld in de Wet ge­luidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

28.  hogere grenswaarde:

een bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objec­ten, die hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

29.  hoofdgebouw:

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;


30.  kampeermiddel:

a.      een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een cara­van;

b.      enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde;

één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

31.  kap:

een dak dat voor minder dan 50% in het horizontale vlak ligt;

32.  kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten:

de in bijlage 1 genoemde bedrijvigheid, dan wel een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen be­drijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woon­huis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend door de bewoner en de aan de bedrijvigheid bij woningen ge­bonden medewerkers;

33.  landschappelijke waarden:

de cultuurhistorische en de visuele waarden van het land­schap;

34.  milieusituatie:

de situatie, waarbij milieuaspecten dienen te worden beoor­deeld, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaan­trekkende werking. In het bijzonder dient er bij de situering en omvang van milieubelastende functies (o.a. bedrijven) op te worden gelet dat de uitbreiding of nieuwvestiging van milieu­gevoelige functies (o.a. woningen) zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functione­ren worden beperkt;

35.  nutsvoorzieningen:

een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gema­len, telefooncellen en zendmasten;

36.  overkapping:

elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand;

 

37.  peil:

a.      indien op het land wordt gebouwd:

1.      voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofd­toegang direct aan de weg grenst:

-de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoe­gang;

2.      voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofd­toegang niet direct aan de weg grenst:

-de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofd­toegang bij voltooiing van de bouw;

b.      indien in, op of over het water wordt gebouwd:

-     het Normaal Amsterdams Peil minus 0,52 m;

38.  plan:

het Bestemmingsplan Franeker - ’t War / Witzens / Kenings­park van de gemeente Franekeradeel;

39.  plankaart:

de kaarten van het Bestemmingsplan Franeker - ’t War / Wit­zens / Keningspark;

40.  prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding;

41.  seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin be­drijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, sek­suele handelingen worden verricht, of vertoningen van ero­tisch-pornografische aard plaatsvinden.

Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar;

42.  sociale veiligheid:

een ruimtelijke situatie die overzichtelijk, herkenbaar en soci­aal controleerbaar is;

43.  straat- en bebouwingsbeeld:

een in stedenbouwkundig opzicht, samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, dat zich in het algemeen kenmerkt door:

-          een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;

-          een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebou­wing onderling;

-          een samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is;

 

44.  uitbouw:

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is aangebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdge­bouw;

45.  verkeersveiligheid:

de veiligheid voor het verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebou­wing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van verkeersdeelnemers;

46.  voorkeursgrenswaarde:

de bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objec­ten, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

47.  woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huis­vesting van één afzonderlijk huishouden;

48.  woongebouw:

een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of ge­deeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden, al dan niet in combinatie met gemeenschappelijke ruimten en inpandige bergingen;

49.  woonhuis:

een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;

50.  woonsituatie:

een situatie waarbij, mede door de situering van om de woon­functie liggende functies en bebouwing, in ieder geval sprake is van een redelijke daglichttoetreding, een redelijke mate van uitzicht en voldoende privacy, alsmede van afwezigheid van hinder.