direct naar inhoud van Artikel 21 Bijzondere open ruimten
Plan: Franeker - Binnenstad
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.00700000BP031703-

Artikel 21 Bijzondere open ruimten

 

21. 1.    Bestemmingsomschrijving

De op de kaart voor bijzondere open ruimten aangewezen gron­den zijn bestemd voor:

a.    groene open ruimten en tuinen;

met daaraan ondergeschikt:

b.    paden;

met de daarbijbehorende:

c.    toegangspoort, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “poort”;

d.    overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

21. 2.    Bouwvoorschriften

21. 2. 1. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

21. 2. 2. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

a.    voorzover de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “academietuin” mogen geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd;

b.    in afwijking van het bepaalde in sublid a mogen binnen het als “academietuin” aangeduide gebied erf- en terreinafscheidingen met een maximale hoogte van 1,50 m worden gebouwd worden voorzover deze bestaan uit baksteen, hout en/of smeed- en gietijzerwerk bestaan;

c.    voorzover de gronden op de kaart niet zijn voorzien van de aanduiding “academietuin”, mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een maximale hoogte van 3,50 m gebouwd.

21. 3.    Gebruiksvoorschriften

21. 3. 1. Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.

21. 3. 2. Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals be­doeld in lid 21.3.1., wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van de gronden ten behoeve van terrassen anders dan terrassen bij woningen, voorzover de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “academietuin”;

b.    het gebruik van de gronden ten behoeve van terrassen bij woningen met een oppervlakte van meer dan 12 m² per bouwperceel, voorzover de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “academietuin”;

c.    het gebruik van de gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- en/of vlieg­tuigen;

d.    het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, af­braak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en voor het storten van vuil;

e.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen;

f.     het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermid­delen.

21. 3. 3. Burgemeester en Wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 21.3.1., indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

21. 4.    Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 21.3.1. wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a onder 2° van de Wet op de economische delicten.