direct naar inhoud van Artikel 3 Beschermd Stadsgezicht
Plan: Franeker - Binnenstad
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.00700000BP031703-

Artikel 3 Beschermd Stadsgezicht

 

3. 1.    Bestemmingsomschrijving

De op de kaart voor beschermd stadsgezicht aangewezen gron­den zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aan­gewezen bestemmingen (basis­be­stem­mingen), bestemd voor:

-       het behoud, het herstel en de uitbouw van de in paragraaf 2.2. van de toelichting aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing, en het behoud van de archeologische waarden van het gebied, waarbij rekening wordt gehou­den met de in voornoemde paragraaf beschreven en als zodanig op de kaart aangegeven zonering binnen het Beschermd Stadsgezicht.

3. 2.    Bouwvoorschriften

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

 

a.    de naar de weg gekeerde gevel van de gebouwen zal in de ge­velbouwgrens c.q. de voorgevelbouwgrens worden gebouwd;

b.    bij gebouwen waarvan de nokrichting haaks staat op de lengte-as van de weg waaraan wordt gebouwd, zal de breedte van de in de voorgevelbouwgrens gebouwde gevel ten hoogste 10,00 m bedragen, tenzij op de kaart in het bouwvlak een maxi­male gevelbreedte is aangegeven, in welk geval de breedte van de in de voorgevelbouwgrens gebouwde gevel(s) ten hoogste de op de kaart in het bouwvlak aangegeven breedte zal bedragen;

c.    bij gebouwen waarvan de nokrichting evenwijdig loopt aan de lengte-as van de weg waaraan wordt gebouwd, zal de breedte van de in de voorgevelbouwgrens gebouwde gevel ten hoogste 18,00 m bedragen, tenzij op de kaart in het bouwvlak een maxi­male gevelbreedte is aangegeven, in welk geval de breedte van de in de voorgevelbouwgrens gebouwde gevel(s) ten hoogste de op de kaart in het bouwvlak aangegeven breedte zal bedragen;

d.    over een diepte van ten minste 8,00 m vanaf de voorgevelbouw­grens zal een gebouw worden voorzien van een zadeldak c.q. een (afgeknot) schilddak, dan wel samengestelde delen daar­van, waarbij de dakhelling ten minste 40° en ten hoogste 60° zal bedragen;

e.    de hoogte van de gevelopeningen van de in de voorgevelbouw­grens gebouwde gevels zal groter zijn dan de breedte daar­van, tenzij het betreft de gevelopeningen in de gevels van de eerste bouwlaag van de gebouwen binnen de bestemming “Gemengde doeleinden 1”.


3. 3.    Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen, ten behoeve van het be­houd, het herstel en de uitbouw van de in paragraaf 2.2. van de toelichting aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing, en het behoud van de archeo­logische waarden van het gebied, waarbij rekening wordt gehou­den met de in voornoemde paragraaf beschreven en als zodanig op de kaart aangegeven zonering binnen het Beschermd Stadsgezicht, nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van gebouwen.

3. 4.       Vrijstelling van de bouwvoorschriften

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische, ruimtelijke en ar­cheologische waarden zoals omschreven in paragraaf 2.2. van de toelichting en met inachtneming van het gestelde ten aanzien van de in voornoemde paragraaf beschreven zonering, vrijstelling verlenen van:

a.    het bepaalde in lid 3.2. sub a en toestaan dat een gebouw vóór c.q. achter de (voor)gevelbouwgrens wordt gebouwd, mits:

-       hierdoor geen onevenredige verstoring optreedt in de gevel­­wand waarin de betreffende gevel zich bevindt;

b.    het bepaalde in lid 3.2. sub b en/of c en toestaan dat wordt af­geweken van de voorgeschreven gevelbreedte, mits:

-       hierdoor geen onevenredige verstoring optreedt in de gevel­wand waarin de betreffende gevel zich bevindt;

c.    het bepaalde in lid 3.2. sub d en toestaan dat wordt afgeweken van de voorgeschreven kaptypen c.q. dat de dakhelling van een gebouw wordt verlaagd of verhoogd of dat een gebouw (gedeeltelijk) wordt voorzien van een plat dak, mits:

-       door toepassing van een passende gevelbeëindiging geen onevenredige verstoring optreedt in de gevelwand waarin de betreffende gevel zich bevindt;

d.    het bepaalde in lid 3.2. sub e en toestaan dat de breedte van de gevelopeningen groter wordt dan of gelijk wordt aan de hoogte van die gevelopeningen, mits:

-       dit noodzakelijk is in verband met het aanbrengen van etala­geruiten met name in de eerste bouwlaag van de ge­bouwen.

3. 5.        Aanlegvergunningen

3. 5. 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamhe­den uit te voeren:


a.    het geheel of gedeeltelijk slopen van in de (voor)gevelbouwgrens gebouwde gebouwen, voorzover niet reeds een sloopvergunning op grond van de Monumentenwet is vereist;

b.    het geheel of gedeeltelijk slopen van in de (voor)gevelbouwgrens gebouwde erf- en terreinafscheidingen;

c.    het geheel en/of gedeeltelijk slopen van bruggen;

d.    het aanleggen, verbreden, verleggen of verharden van wegen en paden;

e.    het aanbrengen c.q. wijzigen van oppervlakteverhardingen in de openbare ruimte c.q. in voortuinen;

f.     het verwijderen c.q. wijzigen van karakteristieke hekwerken en hekpijlers, stoepen en stoeppalen en aan de gevel bevestigde luiken;

g.    het verwijderen van waardevolle boombeplanting;

h.    het planten van bomen en opgaande beplanting;

i.      het ophogen en egaliseren van gronden;

j.      het ontgronden en het afgraven van gronden en/of het anders­zins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;

k.    het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 m, tenzij deze in het kader van onderzoek naar mogelijke historische vindplaatsen worden uitgevoerd.

3. 5. 2. Het bepaalde in lid 3.5.1. is niet van toepassing op wer­ken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, die:

a.    het normale onderhoud betreffen;

b.    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht wor­den van het plan;

c.    betrekking hebben op werken en werkzaamheden met een op­pervlakte kleiner dan 50 m².

3. 5. 3. De in lid 3.5.1. sub a t/m h genoemde vergunning kan uit­sluitend worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied.

3. 5. 4. De in lid 3.5.1. sub i, j en k genoemde vergunning kan uitslui­tend worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de voorkomende archeologische waarden. Bij de beoordeling hiervan zal de provinciaal archeoloog worden ge­raadpleegd.

3. 6.       Gebruiksvoorschriften

3. 6. 1. Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.

3. 6. 2. Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals be­doeld in lid 3.6.1., wordt in ieder geval gerekend:

-       het afwijken van de op de kaart aangegeven dwarsprofielen.


3. 6. 3. Burgemeester en Wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 3.6.1., indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke be­perking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

3. 7.       Vrijstelling van de gebruiksvoorschriften

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische, ruimtelijke en ar­cheologische waarden van het Beschermd Stadsgezicht, vrijstel­ling verlenen van:

 

-       het bepaalde in lid 3.6.2. juncto lid 3.6.1. en toestaan dat wordt afgeweken van de op de kaart aangegeven dwarsprofielen.

3. 8.       Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 3.5.1. en 3.6.1. wordt aange­merkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a onder 2° van de Wet op de economische delicten.