direct naar inhoud van Artikel 3 Woondoeleinden 1
Plan: Woongebied Franeker - Zuid
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.00700502BP059912-

Artikel 3 Woondoeleinden 1

 

3. 1.       Bestemmingsomschrijving

De op de kaart voor woondoeleinden 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

b.    aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

met daaraan ondergeschikt:

c.    wegen, woonstraten en paden;

d.    parkeervoorzieningen;

e.    groenvoorzieningen;

f.     speelvoorzieningen;

g.    water;

met de daarbijbehorende:

h.    tuinen, erven en terreinen;

i.      bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3. 2.       Bouwvoorschriften

3. 2. 1. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepa­lingen:

a.    de gebouwen zullen binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b.    het bebouwingspercentage van een bouwvlak zal per bouwper­ceel niet meer bedragen dan het op de kaart in het bouwvlak als zodanig aangegeven percentage.

3. 2. 2. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:   

a.    als hoofdgebouwen mogen uitsluitend woonhuizen worden ge­bouwd;

b.    voorzover op de kaart in het bouwvlak een gevelbouwgrens is aangegeven, zal de naar de weg gekeerde gevel van een hoofdgebouw in de gevelbouwgrens worden gebouwd;

c.    het aantal te bouwen hoofdgebouwen zal per bouwvlak ten hoogste het op de kaart in het bouwvlak aangegeven aantal bedragen;

d.    de afstand van een hoofdgebouw c.q. blok van aaneenge­bouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens zal ten minste 3,00 m bedragen;

e.    de goothoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste 3,50 m bedragen;

f.     de bouwhoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste 10,00 m bedragen. 

3. 2. 3. Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

a.    aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3,00 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw c.q. het verlengde daarvan worden ge­bouwd;

b.    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijge­bouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoog­ste 50 m² bedragen;

c.    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijge­bouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoog­ste 50% van het erf  bedragen;

d.    de goothoogte van een aan- of uitbouw of een aangebouwd bij­gebouw zal ten hoogste gelijk zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw waaraan wordt ge­bouwd, plus 0,25 m, met dien verstande dat de goothoogte van een aan- of uitbouw of een aangebouwd bijgebouw niet meer mag bedragen dan 4,00 m;

e.    de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw zal ten hoogste 3,00 m bedragen;

f.     de bouwhoogte van een bijgebouw zal ten hoogste 6,00 m be­dragen;

g.    de bouwhoogte van een overkapping zal ten hoogste 3,00 m be­dragen.

3. 2. 4. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen of over­kappingen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

a.    de hoogte van vlaggenmasten zal ten hoogste 8,00 m bedra­gen;

b.    de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen of over­kappingen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

3. 3.       Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen, ten behoeve van een goede woonsituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, na­dere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebou­wing. 

3. 4.       Vrijstelling van de bouwvoorschriften

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, vrijstelling verlenen van:

a.    het bepaalde in lid 3.2.2. sub b en toestaan dat de naar de weg gekeerde gevel van een hoofdgebouw achter de gevel­bouwgrens wordt gebouwd;

b.    het bepaalde in lid 3.2.2. sub c en toestaan dat het aantal te bouwen hoofdgebouwen wordt vergroot, mits:

-       er afstemming plaatsvindt met het gemeentelijke, door de provincie geaccordeerde Woonplan;

c.    het bepaalde in lid 3.2.2. sub d en toestaan dat de afstand van een hoofdgebouw c.q. een blok van aaneengebouwde hoofd­gebouwen tot de zijdelingse perceelgrens wordt verkleind;

d.    het bepaalde in lid 3.2.2. sub e en toestaan dat de goothoogte van een hoofdgebouw wordt verhoogd tot ten hoogste 6,5 m, mits:

-       de vrijstelling uitsluitend wordt toegepast voor de gronden, die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “vrijstel­lingsbevoegdheid ex artikel 3.4. sub d”;

e.    het bepaalde in lid 3.2.3. sub a en toestaan dat een aan- of uit­bouw, bijgebouw of overkapping minder dan 3,00 m achter, dan wel vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw wordt gebouwd.

3. 5.       Gebruiksvoorschriften

3. 5. 1. Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.

3. 5. 2. Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals be­doeld in lid 3.5.1., wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van bijgebouwen voor bewoning;

b.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsma­tige activiteiten, zodanig dat de bedrijfsvloeroppervlakte:

1.    meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke be­gane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op een bouwperceel;

2.    meer bedraagt dan 50 m²;

c.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;

d.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen;

e.    het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermid­delen.

3. 5. 3. Burgemeester en Wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 3.5.1., indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke be­perking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

3. 6.       Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 3.5.1. wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a onder 2° van de Wet op de economische delicten.