direct naar inhoud van Artikel 1 Begripsregels
Plan: St.- Annaparochie - Grietmanshof
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.00630000089955-

Artikel 1 Begripsregels

 

In deze regels wordt verstaan onder:

1.    het plan:

het Bestemmingsplan St. - Annaparochie - Grietmanshof van de gemeente het Bildt;

 

2.    bestemmingsplan:

de geometrische bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO met bijbehorende regels;

 

3.    aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

 

4.    aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

 

5.    aan- of uitbouw:

een aan een (hoofd)gebouw aanwezig bouwwerk dat ruimtelijk ondergeschikt is aan dat (hoofd)gebouw, maar in functioneel opzicht deel uitmaakt van dat (hoofd)gebouw;

 

6.    aangebouwd bijgebouw:

een met het (hoofd)gebouw verbonden en/of een aan het (hoofd)gebouw aanwezig gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;

 

7.    aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteiten:

de in bijlage 1 genoemde bedrijfsactiviteiten dan wel naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen be­drijvigheid, die door haar beperkte omvang in of bij een woon­huis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en waarbij:

 

1.    de woonfunctie niet onevenredig mag worden aangetast;

2.    het uiterlijk van de betreffende woning niet mag worden aan­getast (geen reclame-uitingen e.d.);

3.    het bedrijf dient te worden uitgeoefend door in ieder geval de hoofdbewoner(s) van de woning. Ten behoeve van on­dersteuning (o.a. administratie) mogen maximaal 2 perso­nen in dienst zijn. De bedrijfstechnische of bedrijfsecono­mische noodzaak hiertoe moet worden aangetoond;

4.    het niet mag gaan om vormen van detailhandel en/of ho­reca;

5.    het parkeren op eigen erf dient plaats te vinden. Indien dit niet mogelijk is, mag de parkeerdruk in de naast omgeving als gevolg van de voorgenomen activiteit niet onevenredig toenemen. Ook de verkeersdruk in de naaste omgeving mag niet onevenredig toenemen;

 

8.    aan-huis-verbonden beroep:

een beroep, dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten en waarbij:

 

1.    de woonfunctie niet onevenredig mag worden aangetast;

2.    het uiterlijk van de betreffende woning niet mag worden aan­getast (geen reclame-uitingen e.d.);

3.    het beroep dient te worden uitgeoefend door in ieder geval de hoofdbewoner(s) van de woning. Ten behoeve van on­dersteuning (o.a. administratie) mogen maximaal 2 perso­nen in dienst zijn. De bedrijfstechnische of bedrijfsecono­mische noodzaak hiertoe moet worden aangetoond;

4.    het niet mag gaan om vormen van detailhandel en/of ho­reca;

5.    het parkeren op eigen erf dient plaats te vinden. Indien dit niet mogelijk is, mag de parkeerdruk in de naast omgeving als gevolg van de voorgenomen activiteit niet onevenredig toenemen. Ook de verkeersdruk in de naaste omgeving mag niet onevenredig toenemen;

 

9.    bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

 

10.  bedrijfsvloeroppervlakte:

de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een functie die wordt gebruikt voor een bedrijf, een aan-huis-verbonden beroep of aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteiten, inclusief op­slag- en administratieruimten en dergelijke;

 

11.  bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

 

12.  bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

 

13.  bijgebouw:

een gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;

 

14.  bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

 

15.  bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

 

16.  bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegela­ten;

 

17.  bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

 

18.  bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aange­duid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouw­werken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

 

19.  bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

 

20.  cultuurgrond:

grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden;

 

21.  dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

 

22.  detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goede­ren aan personen die die goederen kopen voor gebruik, ver­bruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een be­roeps- of bedrijfsactiviteit;

 

23.  dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling:

een bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke dien­sten aan derden;

 

24.  gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

 

25.  geluidsbelasting:

de geluidsbelasting vanwege een weg;

 

26.  geluidsgevoelige objecten:

gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsge­voelige gebouwen of terreinen, zoals bedoeld in de Wet ge­luidhinder en/of het Besluit Geluidhinder;

 

27.  hoofdgebouw:

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;

 

28.  horecabedrijf en/of -instelling:

een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en etenswa­ren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin be­drijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een ver­maaks­functie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunc­tie;

 

29.  kampeermiddel:

a.    een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een cara­van;

b.    enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde;

één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

 

30.  kap:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw, die over het geheel of over een gedeelte van dat gebouw een helling heeft;

 

31.  overkapping:

elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand;

32.  peil:

a.    voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoe­gang direct aan de weg grenst:

-       de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoe­gang;

b.    voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoe­gang niet direct aan de weg grenst:

-       de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoe­gang bij voltooiing van de bouw;

 

33.  prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding;

 

34.  seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin be­drijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, sek­suele handelingen wordt verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.

Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar;

 

35.  vrijstaand bijgebouw:

een niet met het (hoofd)gebouw verbonden gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;

 

36.  woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huis­vesting van één afzonderlijk huishouden;

 

37.  woonhuis:

een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

 

afzonderlijk huishouden;

 

37.  woonhuis:

een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

 

afzonderlijk huishouden;

 

37.  woonhuis:

een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.