direct naar inhoud van Artikel 2 Woondoeleinden in ruime opzet
Plan: Wijzigingsplan (ex artikel 11 WRO) van het bestemmingsplan St. Annaparochie
Status: Goedgekeurd
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0063.0000050503-0001

Artikel 2 Woondoeleinden in ruime opzet

 

2. 1.       Bestemmingsomschrijving

De op de kaart voor woondoeleinden in ruime opzet aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep;

b.    aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;

waarbij, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “waardevolle boom”, de waardevolle boom wordt beschermd;

met daaraan ondergeschikt:

c.    woonstraten en paden;

d.    groenvoorzieningen;

e.    speelvoorzieningen;

f.     water;

met de daarbijbehorende:

g.    tuinen en erven;

h.    bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2. 2.       Bouwvoorschriften

2. 2. 1. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

a.    als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;

b.    een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;

c.    het aantal te bouwen hoofdgebouwen zal ten hoogste 4 bedragen;

d.    de goothoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste 4,50 m bedragen;

e.    de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 30° bedragen;

f.     de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten hoogste 60° bedragen.

2. 2. 2. Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

a.    de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen uitsluitend binnen een bouwvlak dan wel binnen een gebied dat op de kaart is voorzien van de aanduiding “bijgebouwengebied” worden gebouwd;

b.    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw zal ten hoogste 60 m² bedragen;

c.    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw zal ten hoogste 50% van de oppervlakte van het bouwperceel, voorzover gelegen achter de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw, verminderd met de oppervlakte van het hoofdgebouw, bedragen;

d.    de goothoogte van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping zal ten hoogste 3,00 m bedragen;

e.    de dakhelling van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping zal ten hoogste 60° bedragen.

2. 2. 3. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende bepaling:

-       de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

2. 3.       Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen, ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

2. 4.       Vrijstelling van de bouwvoorschriften

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, vrijstelling verlenen van:

 

a.    het bepaalde in lid 2.2.1. onder b en toestaan dat een hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits:

-       de diepte van het hoofdgebouw ten hoogste 17,00 m zal bedragen;

 

b.    het bepaalde in lid 2.2.1. onder d en toestaan dat de goothoogte van de hoofdgebouwen (gedeeltelijk) wordt verhoogd tot ten hoogste 6,50 m;

 

c.    het bepaalde in lid 2.2.1. onder e en toestaan dat de dakhelling van een hoofdgebouw wordt verlaagd c.q. dat een hoofdgebouw (gedeeltelijk) wordt voorzien van een plat dak;

 

d.    het bepaalde in lid 2.2.1. onder f en lid 2.2.2. onder e en toestaan dat de dakhelling van een gebouw wordt verhoogd tot ten hoogste 80º;

 

e.    het bepaalde in lid 2.2.2. onder b en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 100 m², mits:

1.    de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aan het hoofdgebouw gebouwde overkappingen bij een hoofdgebouw ten hoogste 60 m² zal bedragen, dan wel, indien de oppervlakte van het hoofdgebouw meer dan 60 m² bedraagt, ten hoogste gelijk zal zijn aan de oppervlakte van het hoofdgebouw;

2.    er een aantoonbare behoefte vanuit de in de bestemming toegelaten doeleinden aanwezig is;

3.    er sprake is van een goede verhouding tot het hoofdgebouw en het erf;

4.    bij een vergroting ten behoeve van de woonfunctie aantoonbaar is dat het gebruik van de uitbreiding voor langere termijn gekoppeld blijft aan de woonfunctie;

 

f.     het bepaalde in lid 2.2.2. onder b en c en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 150 m², mits:

1.    de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aan het hoofdgebouw gebouwde overkappingen bij een hoofdgebouw ten hoogste 60 m² zal bedragen, dan wel, indien de oppervlakte van het hoofdgebouw meer dan 60 m² bedraagt, ten hoogste gelijk zal zijn aan de oppervlakte van het hoofdgebouw;

2.    er een aantoonbare behoefte vanuit de in de bestemming toegelaten doeleinden aanwezig is;

3.    er sprake is van een goede verhouding tot het hoofdgebouw en het erf;

4.    bij een vergroting ten behoeve van de woonfunctie aantoonbaar is dat het gebruik van de uitbreiding voor langere termijn gekoppeld blijft aan de woonfunctie;

5.    vrijstaande bijgebouwen en niet aan het hoofdgebouw gebouwde overkappingen zoveel mogelijk in de nabijheid van het hoofdgebouw gerealiseerd worden;

 

g.    het bepaalde in lid 2.2.2. onder c en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen wordt vergroot tot 100% van de oppervlakte van het bouwperceel, voorzover gelegen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, verminderd met de oppervlakte van het hoofdgebouw, mits:

1.    de vergroting noodzakelijk is ten behoeve van de huisvesting van (een) minder valide(n);

2.    er sprake is van een goede verhouding tot het hoofdgebouw en het erf.


2. 5.       Aanlegvergunningen

2. 5. 1. Indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “waardevolle boom” is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a.    het ophogen en afgraven van gronden;

b.    het aanbrengen van verhardingen;

c.    het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen,  en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

d.    het snoeien van takken en wortels;

e.    het kappen van de boom.

2. 5. 2. Het in lid 2.5.1. vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

a.    het normale onderhoud betreffen;

b.    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.

2. 5. 3. De in lid 2.5.1. onder sub a, b, c en d genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting van de beschermwaardige bomen plaatsvindt.

2. 5. 4. De in lid 2.5.1. onder sub e genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de levensvatbaarheid van de beschermwaardige bomen niet langer is gewaarborgd.

2. 6.       Gebruiksvoorschriften

2. 6. 1. Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze  bestemming.

2. 6. 2. Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 2.6.1., wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van bijgebouwen voor bewoning;

b.    het gebruik van gronden zodanig dat de oppervlakte van een bouwperceel minder bedraagt dan 1.500 m²;

c.    het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel en horeca;

d.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijvigheid, anders dan in de vorm van een aan-huis-verbonden beroep;

e.    het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep, zodanig dat de bedrijfsvloeroppervlakte:

1.    meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel;

2.    meer bedraagt dan 50 m²;

f.     het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep;

g.    het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, af-braak- en/of bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwacti-viteiten en werken en werkzaamheden;

h.    het storten van puin en/of afvalstoffen;

i.      de stalling en/of opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- en/of vliegtuigen;

j.      het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeer-middelen;

k.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen.

2. 6. 3. Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de milieusituatie, vrijstelling verlenen van:

-       het bepaalde in lid 2.6.2. sub d juncto lid 2.6.1. en toestaan dat de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in bijlage 1, mits:

-       de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat:

a.    de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen; en

b.    de activiteiten niet mogen plaatsvinden binnen vrijstaande bijgebouwen.

2. 6. 4. Burgemeester en Wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 2.6.1., indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

2. 7.       Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 2.5.1. en lid 2.6.1. wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2° van de Wet op de economische delicten.

 

2. 6. 3. Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de milieusituatie, vrijstelling verlenen van:

-       het bepaalde in lid 2.6.2. sub d juncto lid 2.6.1. en toestaan dat de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in bijlage 1, mits:

-       de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat:

a.    de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen; en

b.    de activiteiten niet mogen plaatsvinden binnen vrijstaande bijgebouwen.

2. 6. 4. Burgemeester en Wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 2.6.1., indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

2. 7.       Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 2.5.1. en lid 2.6.1. wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2° van de Wet op de economische delicten.